Kortgeding

Toepassingen: discussiëren, debat
 In een kort geding leren studenten te pleiten voor of tegen een bepaalde stelling. Het kort geding leent zich voor toepassing bij onderwerpen waarover geen consensus bestaat. Bij een kort geding verschillen twee partijen van mening over een stelling. Elke partij bestaat uit een advocaat, of pleiter, en enkele getuigen-deskundigen. Daarnaast is er een onafhankelijk voorzitter die de regie heeft over het kort geding. Zij allen dienen hun bijdrage goed voor te bereiden. Partijen en voorzitter zitten vooraan in een ruimte. Bij de aanvang van het kort geding stemmen de toeschouwers (de ‘jury’) schriftelijk over de stelling. De voorzitter maakt de uitslag niet bekend. Het is belangrijk dat de stelling zodanig is geformuleerd dat er goede argumenten voor en tegen kunnen worden aangevoerd. Beide advocaten ondervragen bij toerbeurt de getuigen. De voorzitter houdt de tijd in de gaten. Na het horen van de getuigen vinden de slotpleidooien plaats. Vervolgens stemmen de toeschouwers wederom en de voorzitter maakt de uitslag van beide stemmingen bekend. De beoordeling van de deelnemers (advocaten, getuigen en voorzitter) kan door de toeschouwers gebeuren waarbij ze vooral letten op de kwaliteit van de argumentaties, bijvoorbeeld helderheid, formulering, bondigheid, (on)verantwoorde generalisaties, ter zake doende.

Bron: Berkel van Bax Joosten-ten Brinke 2014 – Toetsen in het Hoger Onderwijs

APPLICATIES

  • BB Collaborate
  • KENMERKEN

    Online: ,

    0.0 (1 stemmen)